Wat is een biosimilair geneesmiddel of “biosimilar”?

Een biosimilair geneesmiddel of ‘biosimilar’ is zo ontwikkeld dat het in hoge mate gelijkwaardig is aan een bestaand biologisch geneesmiddel dat reeds vergund is in de Europese Economische Ruimte (EER). Het reeds bestaande biologische geneesmiddel wordt het referentiegeneesmiddel of originele geneesmiddel genoemd. Nadat het octrooi van het referentiegeneesmiddel is verlopen en de exclusiviteitsperiode is verstreken, kan een biosimilar op de markt worden toegelaten.

Een biosimilar is “in hoge mate gelijkwaardig” aan het biologische referentiegeneesmiddel in termen van kwaliteit, veiligheid, doeltreffendheid en biologische activiteit. Dit betekent dat het in wezen dezelfde werkzame stof bevat, al kan er sprake zijn van kleine verschillen tussen de twee geneesmiddelen. Deze kleine verschillen zijn te wijten aan de complexiteit en variabiliteit van de werkzame stoffen, en aan de complexiteit van de gebruikte productieprocessen.

De productieprocessen zijn erg gevoelig voor veranderingen (bereiding, zuivering, formulering ...). Twee productieprocessen die onafhankelijk van elkaar ontwikkeld zijn voor hetzelfde biologische geneesmiddel kunnen dus leiden tot gelijkwaardige geneesmiddelen, maar nooit tot identieke geneesmiddelen.

Elk verschil tussen de biosimilar en het referentiegeneesmiddel wordt echter binnen strikte grenzen gehouden om te waarborgen dat beide geneesmiddelen op dezelfde manier werken. Een biosimilar wordt pas goedgekeurd wanneer met redelijke zekerheid kan worden gesteld dat de variabiliteit en de verschillen met het referentiegeneesmiddel geen significante invloed hebben op de kwaliteit, veiligheid of doeltreffendheid van de biosimilar. Daarom moeten gedetailleerde klinische proeven en een grondige vergelijkende studie worden uitgevoerd om de gelijkwaardigheid van de geneesmiddelen op het gebied van kwaliteit, veiligheid, doeltreffendheid en biologische activiteit aan te tonen.

Bovendien kunnen er voor hetzelfde biologische referentiegeneesmiddel meerdere biosimilars bestaan. Gezien de complexe aard van biosimilars, wordt elke biosimilar volledig afzonderlijk vergeleken met het referentiegeneesmiddel.

Waarom biosimilars produceren?

Het ontwikkelen van biologische geneesmiddelen is complex, vergt veel tijd en is zeer duur. Dat kan de toegang tot die geneesmiddelen voor patiënten belemmeren en een obstakel vormen voor hun terugbetaling door het zorgsysteem.

Biosimilaire geneesmiddelen kunnen om twee redenen een oplossing bieden voor deze problemen.

  • De ontwikkeling van biosimilaire geneesmiddelen steunt op de wetenschappelijke kennis die dankzij de referentiegeneesmiddelen werd verworven. Het is dan ook niet nodig om alle klinische onderzoeken die voor het referentiegeneesmiddel werden uitgevoerd te herhalen.
  • Wanneer biosimilaire geneesmiddelen op de markt worden gebracht, leiden ze tot een daling van de RIZIV-kosten voor het referentiegeneesmiddel en dus tot een aanzienlijke besparing voor het gezondheidszorgsysteem. Bovendien is sinds 1 april 2018 het biocliffprincipe van toepassing. Dat betekent dat alle wettelijke prijsverminderingen die nog moeten worden toegepast, in één keer worden toegepast, zowel voor het biologische referentiegeneesmiddel als voor het biosimilaire geneesmiddel.

Meer informatie over biocliffprincipe en de maatregel “goedkoop voorschrijven”, waaronder ook biosimilaire geneesmiddelen vallen, kunt u terugvinden op de website van het RIZIV.

Hoe verloopt de ontwikkeling en vergunning van de biosimilars die in België verkrijgbaar zijn?

Biologische geneesmiddelen, waaronder ook de biosimilars, worden op Europees niveau vergund. In de Europese Unie zijn aanvragen voor een vergunning voor het in de handel brengen (VHB) voor deze categorie van geneesmiddelen onderworpen aan een gecentraliseerde vergunningsprocedure bij het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). De Europese Commissie beslist over de toelating van deze geneesmiddelen op basis van wetenschappelijke adviezen van het EMA. De daaruit voortvloeiende vergunning voor het in de handel brengen is geldig in België en in alle andere EU-lidstaten.

Vanuit wetgevend oogpunt zijn biologische en biosimilaire geneesmiddelen onderworpen aan de Europese Richtlijn 2001/83/EG betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik. Het begrip “biosimilair geneesmiddel” werd in 2004 geïntroduceerd en in 2006 stelde het EMA de specifieke Europese richtsnoeren op voor de vergunning voor het in de handel brengen van biosimilars. In hetzelfde jaar nog werd de eerste biosimilar goedgekeurd door de Europese Commissie.

De vereiste gegevens voor de VHB van biosimilars in de Europese Unie zijn niet dezelfde als voor biologische referentiegeneesmiddelen. Wel worden dezelfde strenge normen qua kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid gehanteerd.

Wanneer het biologische referentiegeneesmiddel niet volgens de gecentraliseerde procedure moet worden vergund, kunnen zijn biosimilars via andere procedures worden vergund, nl. de nationale procedure, de wederzijdse erkenningsprocedure of de decentrale procedure.

Net als voor elk ander geneesmiddel moeten de voordelen ten opzichte van de risico’s van een

biosimilar zijn aangetoond voordat het product in de handel wordt toegelaten. Hiervoor zijn heel veel gegevens nodig, zoals informatie over de zuiverheid, het productieproces en de werking van het geneesmiddel. Aangezien het referentiegeneesmiddel reeds verscheidene jaren binnen de UE is goedgekeurd en zijn klinisch nut vaststaat, hoeven sommige onderzoeken die voor referentiegeneesmiddelen werden uitgevoerd, niet meer te worden herhaald voor biosimilars.

Het grootste deel van de evaluatie van een biosimilar bestaat dus uit een vergelijking tussen de biosimilar en het referentiegeneesmiddel om aan te tonen dat er geen significante klinische verschillen zijn of, met andere woorden, om hun biosimilariteit te bewijzen.

Dit vergelijkend onderzoek wordt stapsgewijs uitgevoerd en begint met uitvoerige laboratoriumonderzoeken waarin de structuur en de werking van de geneesmiddelen worden vergeleken, waarna vergelijkende klinische proeven worden uitgevoerd. Het concept en de methodologie van de vergelijking zijn in detail uitgewerkt in de EMA-richtsnoeren. Het aantal proeven en de omvang van de vergelijkende klinische proeven worden met name bepaald afhankelijk van de resultaten van de eerste stappen van het proces en de richtsnoeren.

Wanneer de gelijkwaardigheid van de biosimilar met het referentiegeneesmiddel is aangetoond voor een indicatie, is extrapolatie naar andere indicaties mogelijk met de adequate wetenschappelijke onderbouwing.

Eenmaal het EMA de grondige wetenschappelijke beoordeling heeft uitgevoerd, kunnen biosimilars door de Europese Commissie worden goedgekeurd om in de handel te worden gebracht in de hele Europese Unie. Hun beschikbaarheid in België hangt dan af van de beslissing van de firma om de geneesmiddelen al dan niet op de Belgische markt te brengen, en van de prijszetting en eventuele terugbetalingsvoorwaarden.

Laatste update op 05/03/2019